‘Ik wist zeker: ik ga nooit meer terug naar de corporate wereld’

Door mensen in vluchtelingenkampen te behandelen als hulpeloze slachtoffers, help je ze geen steek verder. Samer Abdelnour pleit na een aantal jaar veldwerk in Soedan voor een totaal andere benadering.

Kooktoestellen. Vraag de collega’s op de gang bij Samer Abdelnour waar hij onderzoek naar doet en dat is waarschijnlijk wat ze zullen zegen. Abdelnour, als politiek socioloog naar eigen zeggen een vreemde eend in de bijt binnen de business school RSM, grinnikt. Het klopt hoor, daar niet van. Maar het gaat om waar die kooktoestellen voor staan.

Dat zit zo. Elke dag improviseren miljoenen vrouwen, van India tot Afrika, geknield boven een houtvuurtje de maaltijd voor hun familie bij elkaar. In kleine huizen of tenten, vaak zonder schoorsteen en slecht geventileerd. De gevolgen zijn niet te overzien: brandwonden, longaandoeningen, talloze ziektes, ook bij de kinderen, die vaak in de nabijheid van moeder verblijven.

Voor de rubriek Cowboys in de Wetenschap spreekt Geert Maarse met wetenschappers die net even verder gaan dan hun collega’s. Samer Abdelnour (Rotterdam School of Management) zat voor zijn onderzoek naar humanitaire hulp en ondernemerschap meer dan drie jaar in vluchtelingenkampen in Soedan.

Als reactie hierop kwamen hulporganisaties met het idee om voor een lage prijs een superefficiënt state of the art kooktoestel te gaan produceren. Er gingen een paar ontwerpers aan de slag, er kwam geld voor de distributie en met hulp van een paar grote namen groeide het verbeterde kooktoestel binnen mum van tijd uit tot de natte droom van elke hulpverlener. Weg gezondheidsproblemen. En omdat hiermee ook de afhankelijkheid van hout verkleind werd, zo klonk het, werden ook ontbossing en klimaatverandering aangepakt. Abdelnour: “Toen ik in 2006 aankwam in Darfoer waren er zelfs organisaties die deze toestellen promootten als manier om seksueel geweld tegen vrouwen terug te dringen.”

Wat is het verband tussen een kooktoestel en seksueel geweld?

“Het is gebaseerd op een heel krachtig verhaal dat vrouwen vaak aangevallen worden tijdens het halen van hout. Ze moeten soms kilometers lopen door onveilig gebied. Dus in theorie verklein je het risico op seksueel geweld als je hun afhankelijkheid van hout terugbrengt. Het probleem is alleen: er is geen bewijs voor. Maar dat was nooit eerder grondig onafhankelijk onderzocht. De meeste studies reproduceerden dit hardnekkige narratief of werden gedaan door een organisatie die de toestellen ontwerpt of verspreid. En die waren vaak heel technisch georiënteerd: hoe lang doet-ie het? Hoeveel emissiereductie levert-ie op?”

Een traditioneel kooktoestel dat bestreden zou moeten worden omdat het grote gevaren meebrengt, tot seksueel geweld aan toe (foto: Samer Abdelnour).

Belangrijke vragen toch?

“Zeker. En het zijn de slimste mensen ter wereld die zich ermee bezig houden. Maar dan wordt er vaak in een gecontroleerde laboratoriumsetting gekeken naar de efficiëntie van zo’n kookstel. Met het gas constant, een pan met water precies midden op het vuur. Terwijl als je in vluchtelingenkampen gaat kijken, mensen die kookstellen op de meest gekke manieren gebruiken. Allerlei brandstoffen door elkaar, ik heb zelfs een keer gezien dat iemand zo’n hoogtechnologisch kookstel op z’n kop had gezet om er een houtvuurtje in te stoken. Daar kom je als industrieel ontwerper niet achter. En wat er bovenal mist is de kritische vraag waarom mensen aannemen dat een hele simpele huishoudelijke technologie, een kookstelletje, in staat is om de meest complexe, diepgewortelde maatschappelijke problemen – klimaatverandering, ontbossing, seksueel geweld – op te lossen. Want laten we eerlijk zijn: kokende vrouwen zijn niet de hoofdoorzaak van deze problemen.”

Waarom wilde je naar Soedan?

“Soedan overkwam me eigenlijk, op een gekke manier. Ik had een jaar of vijf in het bedrijfsleven gewerkt – BMW, Honda en Canadian Tire – toen ik in een soort quarterlife crisis terecht kwam. Ik ben geboren in Canada, maar mijn ouders zijn Palestijnse vluchtelingen. Die roots wilde ik ontdekken, wat me leidde naar vluchtelingenkampen in Beiroet, waar ik twee zomers vrijwilligerswerk als docent deed. Dat was in 2003/2004, toen de berichtgeving over Darfoer een hoogtepunt bereikte. Ik wilde een master doen waarin ik mijn managementervaring kon combineren met mijn interesse voor vluchtelingen. Per toeval ontmoette ik toen David Wheeler, een van de eerste denkers over social enterprise. Bij hem kon ik aan de slag. Een maand later zat ik in Cairo voor een ontmoeting met mensen die in Soedan bezig waren en even later landde ik in Darfoer. Als ik niet naar Beiroet was gegaan, was mijn leven heel anders gelopen.”

Na een paar jaar bedrijfsleven leek het of ik een leven leidde dat niet het mijne was.

Waarom wilde je het bedrijfsleven uit?

“Ik ben opgegroeid in een migrantengezin. Mijn ouders zijn gevlucht voor het conflict en hebben keihard gewerkt om mijn broer en mij een betere toekomst te geven. Dan wordt er dus vooral gehamerd op een diploma waarmee je verzekerd bent van een stabiel inkomen. Maar voor mij was er altijd al meer. Ik volgde tijdens mijn studie Management en Economie al vakken als Afrikaanse Literatuur en Politiek van het Midden-Oosten. En het is raar: na een paar jaar in het bedrijfsleven kreeg ik het gevoel alsof ik een leven aan het leiden was dat niet het mijne was. Toen ik mijn oorspronkelijke passie en interesse de ruimte gaf, leefde ik voor mijn gevoel pas echt. De eerste keer dat ik een voet zette in een vluchtelingenkamp, in Libanon, wist ik al: ik ga nooit meer terug naar die corporate wereld.”

Je gaf een redelijk comfortabel leven op om te gaan werken in een van de meest heftige conflictregio’s ter wereld. Hoe was dat?

“Ik wist al hoe vluchtelingenkampen eruit zagen, uit Beiroet. Maar de omstandigheden in Soedan zijn dusdanig heftig – het land was verwoest door de burgeroorlog – daar kun je je eigenlijk niet op voorbereiden. Ik herinner me de eerste keer dat we buiten de hoofdstad Khartoem waren. We gingen naar Juba in Zuidelijk Soedan, jaren voordat het een onafhankelijk land werd. Daar troffen we in een kamp een oudere vrouw die vertelde over het geweld dat ze had meegemaakt. Ik zat nog met dat Noord-Zuid-conflict in mijn hoofd. Maar zij zei: dat doet er allemaal niet toe. Elke man met een wapen, of het mijn buurman is, de politie, de oppositie, het leger of een bandiet: als je kwetsbaar bent, word je misbruikt. De verhalen die ze verteld… Ik zal ze hier niet herhalen, maar ze hebben me weken wakker gehouden.”

Een werkplaats waar nieuwe kooktoestellen gefabriceerd worden in Nyala, Darfur (foto: Samer Abdelnour).

Hoeveel ben in Soedan geweest?

“Mijn langste trip was vijf maanden, de kortste tien dagen. Ik denk dat het in totaal gaat om zo’n drieënhalf jaar, sinds ik in 2006 begon als onderzoeker.”

Dat is bijna een derde van de tijd. Waarom is het zo belangrijk om er zo lang te zijn?

“Het is volgens mij de enige manier om echt in kaart te brengen hoe mensen daar leven, hoe het eraan toe gaat in een gebied. Toen ik voor het eerst in Soedan aankwam, had ik een beeld dat, net als de bij de meeste mensen, grotendeels gebaseerd was op wat de media berichtten. Ik realiseerde me bijvoorbeeld al heel snel dat het helemaal niet alleen om religie of etniciteit ging. Terwijl de perceptie van het conflict en de hulp die geboden wordt daar wel heel erg op gebaseerd zijn. Tijdens mijn eerste trips heb ik echt de mogelijkheid gehad om mijn bestaande kennis – mijn opleiding, gelezen artikelen en boeken, de experts die ik daarvoor volgde – uit te dagen.”

Had iedereen het bij het verkeerde eind dan?

“Als onderzoeker heb je de optie om op verschillende manieren over mensen te denken. Als je een kookstel ontwikkelt, heb je de neiging om mensen te zien als gebruiker van je product. Als je voor een hulporganisatie werkt, zie je mensen als hulpbehoevend. Voor mijn onderzoek ga ik heel open met mensen praten, ik vraag ze wat ze doen en waarom. Dan besef je dat hun levens veel complexer zijn. Ze hebben talloze andere behoeftes, aspiraties en verlangens. Die kennis moet je gebruiken om je eigen benadering van de hulpverlening continu uit te dagen.”

Ik ben niet tegen hulp van buiten, maar te vaak denkt men dat vluchtelingen niets hebben en niets kunnen.

Doe eens een concrete aanbeveling.

“De eerste les is wat mij betreft dat je niet zomaar kunt binnenvallen in een gebied zonder oog te hebben voor het potentieel van locals en lokale markten. Ik ben niet tegen hulp van buiten, maar vaak denkt men dat vluchtelingen niets hebben en niets kunnen. Dat merkte je ook aan de verontwaardiging toen bleek dat bootvluchtelingen mobiele telefoons hadden. Wat dacht je dan? Ik ben in de kampen in Darfoer vrouwen tegengekomen met een mastertitel. In Soedan en met name in Zuid-Darfoer is een hele rijke landbouwcultuur, maar in de kampen werd gedaan alsof we middenin de woestijn zaten. VN-organisaties haalden in enorme ladingen kookolie uit China, terwijl Soedan een grote producent van sesamolie is. Maar de internationale gemeenschap mist in dit soort gevallen het inzicht om aan te sluiten op lokale producenten.

Een andere les is wat mij betreft dat er overdreven veel aandacht is voor de empowerment van vrouwen, zonder oog te hebben voor mannen, en vooral: jongens. Ik zeg niet dat dit niet belangrijk is, maar als elk vluchtelingenkamp tientallen programma’s heeft om jonge vrouwen te helpen, en ondertussen jonge mannen negeert, kan dat grote onbedoelde gevolgen hebben. Indirect is hierdoor een nieuwe vlaag aan geweld ontstaan. Heel veel jongens hebben zich gedurende de vijf jaar dat die grootschalige hulpactie duurde tot geweld gewend, gewoon omdat ze genegeerd werden. Rond 2008/2009 werden er honderden terreinwagens van de VN of een andere internationale agency gestolen. Dan werd de bovenkant eraf gezaagd, een wapen gemonteerd en bam, je hebt er een nieuwe bende bij.

Daar is bijna niet over geschreven. Het zegt veel over hoe het westen zo’n samenleving ziet: primitief, patriarchaal – terwijl het Soedanese parlement misschien wel meer vrouwen telt dan het Nederlandse.”

Een focusgroep in Akot, Zuid-Soedan. Abelnour: "Ik heb vrijwel uitsluitend met lokale mensen en organisaties gewerkt." (foto: Samer Abdelnour)

Vind je het weleens lastig om vol te houden?

Overtuigd: “Helemaal niet. Er zijn verschillende Soedans hè. Het is een ontzettend gelaagd land en heeft een hele rijke cultuur en geschiedenis. Ik heb de afgelopen jaren een enorm netwerk opgebouwd en goede vrienden gemaakt, waardoor het voelt als een tweede thuis. Het scheelt ook dat ik redelijk Arabisch spreek, waardoor ik er toch een beetje bij hoor. Nee, ik ben een van de meest gezegende mensen in de wereld. Ik werk voor een prachtig instituut, met hele fijne mensen, en ik krijg betaald om onderzoek te doen dat ik interessant vind.”

Wat vinden je ouders van wat je doet?

“Lange tijd hadden ze het er lastig mee. In hun optiek ruilde ik een goede baan, een mooi appartement en een leaseauto in voor onzekerheid in een gevaarlijk gebied. Ze begrepen niet waarom iemand dat zou doen. En natuurlijk waren ze bezorgd. Inmiddels is dat iets bijgetrokken. Ze snappen het nog steeds niet helemaal, maar ze hebben wel het gevoel dat ik iets goeds aan het doen ben.”

Deel dit artikel

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
  • Hiermee kun je je aanmelden voor de EM nieuwsbrief. Je krijgt elke donderdag een mail met het belangrijkste nieuws van de week. Er is een Nederlandstalige en een Engelstalige editie.

    Vragen over de nieuwsbrief? Lees eerst onze veelgestelde vragen.