De witte jassen gaan dan uit. Mocht een andere patiënt een bepaalde ziekteverwekker hebben, dan nemen wij die niet mee deze kamer in, is de gedachte. De ruimte waar deze man zich zal begeven de aankomende paar weken, totdat zijn beenmerg weer een beetje hersteld is, beperkt zich tot de tweede deur, en breidt zich enkel af en toe uit tot de eerste deur, wanneer wij besluiten door de tweede naar binnen te lopen.

Nu zit hij op een stoel in de hoek, voor het raam, in het zweet gedrenkt, met de zon op zijn gezicht. Net nog op de hometrainer gefietst: hoe beter de conditie voor de chemo, hoe groter de kans op een succesvolle behandeling. De verpleegkundigen lopen door en over elkaar heen om de zoutoplossings- en bloedzakjes voor het infuus gereed te maken. Ik klem mijn rechterpols achter mijn rug in mijn linkerhand, de zaalarts doet hetzelfde. Een voor een, langzaam, met een wat vertrokken gezicht, kijkt hij ons aan.

“Morgen begint het, hé?” De zaalarts antwoordt zijn blik wat vertwijfeld, beduusd zelfs, wachtend op hoe hij zal gaan reageren.

“Het is wat het is”, zegt hij rustig. “Ik heb me geen enkel moment afgevraagd: waarom ik? Het is niet alsof ik nu door de leukemie zielig moet doen. We gaan er het beste van maken. Natuurlijk is het wel zwaar als je met je vrouw en kinderen praat.” Hij wendt zich tot mij: “Mag ik vragen wie de jonge arts is die hier staat?”

In alle hectiek heb ik niet de gelegenheid gekregen om mijzelf voor te stellen. Ik ben in opleiding tot arts meneer, u zult mij de rest van deze week en de volgende nog zien. “Wat goed, ik wens je alle succes met je opleiding.”

Een glimlach, een knipoog. Deze ziekte, dit traject, is té groot voor een mens.

De goede man maakt zich groot door wederzijds interesse te tonen. Fietsend veinst hij de controle te behouden. Wij wederkeren zijn onmacht door hem te behandelen, als een patiënt. Zo houden wij gepaste afstand.

Zijn knipoog is de bezegeling van dit toneelstuk. Nee, de komende weken worden een hel. Aanhoudende diarree, ernstige vermoeidheid, dodelijke infecties. De tijd zal langzaam verlopen, zal tergend zijn, en zal gaten in het geheugen achterlaten, verder uitgebikt door de papaver die wij hem voorschotelen. En waarvoor je het allemaal doet? Onzekerheid, gestapeld op leed.

Des te ontroerender zijn knipoog. Voor niets komt de zon op.

Door het raam van de eerste sluisdeur zie ik dat de tweede dicht is. Daarachter wordt het bloed van de patiënt volgegoten met gif. Mijn witte jas gaat uit, de handalcohol smeer ik uit over mijn handen. Mijn hand reikt al naar de al deurklink, maar ik kijk nog even over mijn schouder of de eerste deur dicht is. Die zit muurvast.

Al 3 reacties — discussieer mee!