Direct naar inhoud

Advertentie

Advertentie Studentendrukwerk

Waarom juristen, filosofen en empirisch onderzoekers elkaar nodig hebben

Gepubliceerd op:

Sanne Taekema dacht lang dat haar onderzoek naar de rechtsstaat en haar werk over de methodologie van rechtswetenschap twee gescheiden werelden waren. Tot ze ineens zag dat er verborgen empirische en juridische argumenten in rechtsfilosofische teksten zitten. Wat begon als kritische noot, mondde uit in een constructieve benadering om de rechtswetenschap te versterken.

Afbeelding door: Esther Dijkstra

De verwondering

“Ik hou heel erg van heel hard nadenken. En van dat bespreken met andere mensen die dat ook doen. Ik heb een jaar op een liberal arts college in Amerika gestudeerd, en daar volgde ik een aantal filosofiecursussen. Ik vond de dialogen van Plato echt een eyeopener. Je wordt als lezer meegenomen in het zelf nadenken omdat het hele verhaal in een vraag-antwoordstructuur staat; de Socratische methode. En dan word je zelf wakker geschud.

“Daarna wist ik dat ik Filosofie wilde gaan studeren. Al snel merkte dat je daar wel een toepassingsgebied voor nodig hebt, en ging ik ook rechten studeren. Dat snijvlak vind ik razend interessant. Sinds ik in Rotterdam werk heb ik me gespecialiseerd in de rechtsstaat. Hoe staat de rechtsstaat onder druk door globalisering en privatisering?

“Daarnaast ben ik me ook steeds meer gaan interesseren in de methodologie van rechtswetenschap, een andere discipline. Rechtswetenschap is geen empirische wetenschap, maar een tekstwetenschap. Wat betekent dat, en hoe verhoudt zich dat tot andere vormen van wetenschap?”

Sanne Taekema is hoogleraar Rechtstheorie en -methodologie aan de Erasmus School of Law. In haar onderzoek richt ze zich op de rechtsstaat, de rol van waarden in het recht, en de methodologie van interdisciplinair juridisch onderzoek.

Het eurekamoment

“In de rechtswetenschap trekken disciplines zich te vaak terug in hun eigen benadering: de een bestudeert alleen theorie, de ander alleen feiten. Ik zag mijn onderzoek naar de rechtsstaat en mijn werk over de methodologie van rechtswetenschap ook als twee gescheiden werelden. Tot ik voor een onderzoek een artikel van de rechtsfilosoof Jeremy Waldron las. Ik vind zijn benadering van de rechtsstaat sterk, maar ineens vroeg ik me af: waar baseert hij dit eigenlijk op?

“Toen ik er met een methodologische blik naar keek, zag ik een groot gat in zijn redenering. Hij stelde dat ‘gewone mensen’ de rechtsstaat heel anders zien dan rechtsfilosofen. Een empirische uitspraak, die hij niet onderbouwde. Door het door die methodologische bril te zien viel me dat ineens op.

“Ik was van plan een klassiek rechtsfilosofisch artikel te schrijven, waarin ik argumenten afpel, en laat zien waar denkers als Waldron tekortschieten. Maar op een gegeven moment dacht ik: wat is er wél mogelijk als je methodologie combineert met juridische én empirische methoden? Zou het, naast een kritische noot, tot iets constructiefs kunnen leiden als ik die twee werelden van mijn werk combineer? Toen klikte er iets. Hier had ik echt iets nieuws te pakken.”

Het onderzoek

“Ik wilde die combinatie van normatief-theoretische, juridische en empirische perspectieven toepassen in een case study. Daar koos ik de Rule of Law Index voor; een internationale ranglijst die landen een rapportcijfer geeft voor de kwaliteit van hun rechtsstaat, gebaseerd op empirische data.

“Al snel zag ik dat de index factoren samenbrengt die eigenlijk niet goed tegen elkaar af te wegen zijn. De efficiëntie van rechtspraak krijgt bijvoorbeeld evenveel gewicht als corruptiebestrijding of rechterlijke onafhankelijkheid. Daardoor kunnen landen met totaal verschillende rechtspraktijken hetzelfde cijfer krijgen. Singapore en België staan bijvoorbeeld naast elkaar in de ranking, maar om compleet andere redenen. Wat zegt zo’n score dan eigenlijk?

“Ook ontdekte ik dat er een negende factor bestaat, namelijk informele rechtspraak. Dat zijn manieren waarop mensen buiten de rechtbank om conflicten oplossen. Dat is moeilijk te meten, dus telt deze factor in de index niet mee, terwijl dat in veel landen cruciaal is. Toen gingen bij mij als rechtsfilosoof alarmbellen af: het systeem is veel pluralistischer dan die ene score suggereert.”

De nasleep

“Door mijn drie perspectieven te combineren, zag ik hoe empirische data en juridische aannames samen een instrument vormen dat niet neutraal is, maar doordrenkt van waarden. Veel mensen voelen intuïtief aan dat er iets wringt aan zo’n cijfer, maar kunnen niet precies zeggen wat. Rechtsfilosofie helpt dan precies te benoemen wat er wringt aan zo’n schijnbaar objectieve maatstaf.

“Dat inzicht heeft een zinvol gesprek op gang gebracht tussen rechtsfilosofen, rechtssociologen en juristen. We komen pas echt verder als we die disciplines durven te overbruggen. Die combinatie van benaderingen was bijvoorbeeld waardevol geweest bij de toeslagenaffaire. Daar bleek dat de juridische waarborgen van de rechtsstaat niet genoeg waren om misstanden te voorkomen. Dat had al eerder aan het licht kunnen komen als we de onderliggende waarden hadden getoetst. En daar was al een basis voor. In de rechtstheorie was het idee ‘responsieve rechtsstaat’ al bekend; dat de overheid meer moet luisteren naar burgers. Dat concept bestond al jaren. Het stond alleen niet op de radar van mensen die vooral in het juridische of empirische veld werkten. Daarom is die verbinding van perspectieven zo belangrijk.”

Lees meer

De redactie

Reacties

Reacties zijn gesloten.

Advertentie

Advertentie Studentendrukwerk