“We zitten op goud”, zegt Ed Brinksma als het gaat om de rol die de Erasmus Universiteit kan spelen bij de inzet van artificiële intelligentie (AI) voor de oplossing van maatschappelijke problemen. Was AI tot voor kort vooral iets voor de techneuten, nu is volgens Brinksma (zelf een techneut) de ‘tweede fase’ aangebroken in de inzet van kunstmatige intelligentie waarbij de expertises van de EUR hard nodig zijn.

Kansen en bedreigingen

Ed Brinksma in gesprek met minister Dijkgraaf 2022 – Levien Willemse
Collegevoorzitter Ed Brinksma: ‘We zitten op goud.’ Beeld door: Levien Willemse

Brinksma: “AI gaat steeds meer ingrijpen in ons leven, organisaties en de maatschappij. Juist het bedenken van de randvoorwaarden, juridische en ethische implicaties zijn thema’s die aansluiten bij deze universiteit. Hoe kunnen we AI inzetten for good. Want er zijn niet alleen kansen maar ook bedreigingen.”

Als kansen noemt hij – nu heel actueel – het oplossen van de waterschaarste; hoe regelen we dat samen? “Het gaat lang niet meer om alleen de kale cijfers, maar hoe ga je op een intelligente manier hiermee om. En daar kunnen juist onze wetenschappers aan bijdragen.”

En bedreigingen zijn er ook, zegt Brinksma, en hij noemt het verregaande gebruik door de Chinese overheid van AI die het land tot een politiestaat maakt, ‘dat willen we niet’.

Kunst maakt complexe zaken bespreekbaar

Maar hoe krijg je alfa- en gamma-wetenschappers betrokken bij iets met een hoog technische uitstraling? Brinksma antwoordt: met kunst. “Kunst is een taal waarmee je zaken bespreekbaar kunt maken die te complex zijn om met woorden uit te leggen”, zegt Brinksma. Hij steekt zijn enthousiasme voor de rol van kunst en de verbintenis van kunst en wetenschap niet onder stoelen of banken.

Niet voor niets is een van de hoofdgasten bij de Opening van het Academisch Jaar kunstenaar Refik Anadol. Anadol is een mediakunstenaar die voor zijn installaties duizelingwekkende hoeveelheden data gebruikt. Dit kunnen foto’s zijn of andere data die samen tot haast hallucinerende bewegende beelden leiden.

Gesamtwissenschaft

Brinksma is enthousiast over deze door techniek en wetenschap gedreven kunstvormen. Zelf maakt hij de vergelijking met het Bauhaus, een opleiding voor beeldend kunstenaars, ambachtslieden en architecten die tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Duitsland veel invloed heeft gehad op het kunstonderwijs en kunst en vormgeving in het algemeen. “De ideeën vanuit de Bauhaus-beweging om tot Gesamtkunst te komen met kunstenaars en ambachtslieden, zie ik ook voor me in deze tijd: Gesamtwissenschaft waarin kunstenaars en wetenschappers elkaar vinden.”

Brinksma noemt daarom de samenwerking tussen de EUR en Codarts en de Willem de Kooning Academie als ‘vierde blaadje aan de klaver’ van de convergentie, de samenwerking tussen de Erasmus Universiteit, het Erasmus MC en de TU Delft. Juist ook weer om kunst een rol te laten spelen in deze samenwerkingen en de verbinding te leggen tussen kunst en wetenschap, een nieuwe Bauhaus-beweging als het ware.

Wat de universiteit verder van Bauhaus kan leren, volgens Brinksma, is oog hebben voor talent en niet alleen voor diploma’s. Hij verwijst naar de Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg, oprichter van de kunststroming De Stijl en betrokken bij de Bauhaus-opleiding, die ternauwernood zijn lagere school afmaakte maar die een ongelooflijk groot kunstzinnig talent had en voor vernieuwing heeft gezorgd in de wereld van kunst en ontwerpen.

“Dit houdt ons een spiegel voor. Is het onderwijs niet te veel massaproductie geworden, en zijn voor échte vernieuwing diploma’s wel het belangrijkste selectiecriterium? We zouden ons niet alleen op het gemiddelde moeten richten, maar ook ruimte moeten bieden aan talent dat niet aan de regels van het systeem voldoet.”

‘Water tot aan de lippen’

Brinksma wil niet zover gaan dat hij het huidige onderwijsbestel radicaal anders wil inrichten, maar een andere vorm ‘naast’ het huidige systeem zou hij toejuichen.

Overigens zijn er zo aan het begin van een nieuw academisch jaar allereerst andere zorgen, namelijk over de groeiende toestroom van studenten naar het wetenschappelijk onderwijs.
Voor de zomer trok minister Dijkgraaf van Onderwijs de Wet Taal toegankelijkheid. De wet bood instrumenten om met name de groei van studenten vanuit het buitenland beter te kunnen sturen. Brinksma heeft daar gemengde gevoelens over. “Enerzijds ben ik blij omdat de wet ons tot groei zou verplichten, maar de wet bood ook instrumenten om gericht te kunnen reageren op ongewenste groei, en dat missen we nu.”

Maar, zegt Brinksma, we zijn vanaf september in overleg hierover met de minister. “We hopen dat er iets uit dat overleg komt dat ons verder helpt. Er moet komend jaar wel écht iets komen vanuit de minister, anders gaan we het zelf doen. “Het water staat ons tot aan de lippen.”

De Opening van het Academisch Jaar is vanaf 14.45 uur hier online te volgen.

Nog geen reactie — begin de discussie!