Elk jaar komt tussen de 7 en 15 procent van de kiesgerechtigde studenten stemmen voor de Universiteitsraad, het hoogste medezeggenschapsorgaan van de universiteit en de belangrijkste plek voor studenten om mee te praten over de koers van de EUR. Dat is lager dan op welke universiteit dan ook in Nederland. De raad probeerde jarenlang met workshops, borrels en activiteiten de bekendheid te vergroten, maar altijd tevergeefs.

Enige universiteit

De EUR heeft nu als enige universiteit in Nederland een decentraal kiesstelsel, wat betekent dat medewerkers en studenten niet universiteitsbreed, maar per faculteit of afdeling stemmen. Elke faculteit (en afdeling) wordt zodoende door enkele studenten en medewerkers in de raad vertegenwoordigd. De keerzijdes van het decentrale stelsel zijn dat er geen campagnes op de campus zijn voorafgaand aan de verkiezingen (waardoor de campagne grotendeels onzichtbaar blijft), en er niet altijd bij alle faculteiten verkiezingen nodig zijn. Als het aantal kandidaten het aantal zetels voor die faculteit niet overtreft, hoeft er niet gekozen te worden.

In het nieuwe systeem zijn er wel universiteitsbrede verkiezingen, en kun je dus bijvoorbeeld als bedrijfskundestudent ook campagne gaan voeren op de rechtenfaculteit of andersom. Op die manier is de kans dat er studenten in de raad komen die helemaal niet gekozen zijn veel kleiner.

Student Jordie van der Burgt was bij de Rotterdam School of Management één van de twee kandidaten voor twee zetels in de raad. Hij was dus zonder verkiezingen al zeker van een plekje. Dat zit hem nog steeds niet lekker. “Je wilt graag mensen vertegenwoordigen, maar dan knaagt het dat niemand op je heeft kunnen stemmen. Wie vertegenwoordig je dan eigenlijk?” Doordat Van der Burgt geen campagne hoefde te voeren, is de Universiteitsraad nu mogelijk nóg onbekender op de RSM en zal het volgend jaar wellicht nog moeilijker worden om genoeg kandidaten te vinden. “Ik ben daarom heel blij dat het systeem nu wordt aagepast. Het heeft wel zes jaar geduurd, maar dat komt omdat er steeds angst was dat een ander stelsel verkeerd zou uitpakken. Maar ik denk dat je het in elk geval moet proberen.”

Bestuur ziet partijen niet zitten

De Rotterdamse Universiteitsraad is de enige in zijn soort die geen partijenstelsel kent. In de openbare raadsvergaderingen spreken het studentendeel en het medewerkersdeel in de praktijk met één mond en is er dus weinig sprake van openbaar onderling debat. De wens om partijen mogelijk te maken was er wel in de raad, maar in het nieuwe stelsel zitten geen voorzieningen voor de vorming van partijen: het College van Bestuur ziet dat niet zitten. Natuurlijk is iedereen vrij om partijen op te richten, maar bij de verkiezingen biedt dat weinig voordelen. Het is het bijvoorbeeld niet mogelijk om met een lijst te werken, waarbij stemmen op de lijsttrekkers automatisch doorvloeien naar de lager geplaatsten.

Sommige raadsleden maken zich zorgen dat in het nieuwe stelsel kleine faculteiten niet meer vertegenwoordigd zullen zijn, omdat het op de grote faculteiten makkelijker is om stemmen te werven. Een ‘buddy-systeem’, waarbij universiteitsraadsleden intensief contact onderhouden met de faculteitsraden, moet voorkomen dat de raad de belangen van die kleine faculteiten uit het oog verliest.

Pilot

Het nieuwe stelsel wordt twee jaar lang getest. Als het goed bevalt, wordt het definitief ingevoerd, mogelijk ook bij het medewerkersdeel van de raad. Een werkgroep gaat de komende tijd de criteria vaststellen om te bepalen of de pilot goed werkt.

Nog geen reactie — begin de discussie!