Het schakelprogramma voor vluchtelingen van de Erasmus Universiteit, dat in 2017 van start ging, bereidt de deelnemers niet per definitie voor op een studie aan de EUR maar op hoger onderwijs in het algemeen. In het eerste jaar gingen verreweg de meeste cursisten nog naar een hbo-instelling. Nu verwacht VJE-projectleider Kevin van der Poel dat iets minder dan de helft van de twintig deelnemers naar een universiteit kan.

De reden dat ze niet voor de Erasmus Universiteit kiezen ligt volgens Van der Poel in het bestaan van Nominaal=Normaal. Deze relatief strenge EUR-regel, die eist dat je in je eerste jaar al je studiepunten haalt, is voor de deelnemers reden om te kiezen voor opleidingen in bijvoorbeeld Leiden en Tilburg. Nog niet van alle deelnemers is het vervolgtraject bekend: sommige cursisten moeten nog herkansen en afhankelijk van de resultaten stromen zij door naar het hbo of het wo.

Eind vorig jaar kreeg Kevin van der Poel een Top Support Award als ‘medewerker van het jaar’ voor het VJE-project. Nog altijd reageert hij bescheiden over de benoeming. “Niet alles gaat zo geweldig als wat je in de media leest”, zegt hij. Onder andere AD Rotterdam en de Telegraaf prezen het programma de hemel in. Ook worden schakeltrajecten als Voorbereidend Jaar Erasmus door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap genoemd als ‘best practices’. Een van de deelnemers werd vorig jaar zelfs uitgenodigd in het tv-programma Koffietijd.

In het diepe

Van der Poel is vooral zeer teleurgesteld over het feit dat de deelnemers vaak het universitaire leven niet aan blijken te kunnen. “Instromen naar de universiteit of hogeschool gaat heel goed, maar je ziet dat veel deelnemers na het eerste jaar weer uitvallen”, vertelt hij. “Het is frustrerend; je geeft ze een sterke basis, maar toch worden ze zo ongelukkig tijdens het studeren dat ze stoppen met hun studie.”

Deelnemers hebben tijdens het schakeljaar heel weinig contact met de Nederlandse omgeving. Dat is volgens Van der Poel voor hen een belangrijke reden om te stoppen met studeren. “Het echte leven ervaren ze pas ná het programma, wanneer ze in de collegebanken zitten. Ze worden dan in het diepe gegooid. Sommigen vallen dan in een put waar niet ze niet makkelijk  uitkomen.”

Sociaal isolement

“Voor vluchtelingen is taal het grootste knelpunt voor studiesucces”, vertelt Van der Poel. Daarom zijn de lessen Nederlands en Engels een onmisbaar onderdeel van het programma. “Zelfs nadat ze het inburgeringsdiploma hebben behaald, is taalles gedurende het programma nog steeds verplicht.”

Veel deelnemers leven volgens Van der Poel in een sociaal isolement. Ze krijgen moeilijk contact omdat ze niet veel gemeen hebben met de mensen in hun omgeving. “Dat ligt deels aan een bepaalde manier van communiceren die voor ons heel normaal is maar voor, bijvoorbeeld, een Syriër ongebruikelijk.” Zo ervaart Van der Poel dat Nederlandse directheid voor frictie kan zorgen. “Het andere clichévoorbeeld is dat ze vaak te laat komen en dat prima vinden. Wil je dus vrienden maken in Nederland, dan kan ik me voorstellen dat dat lastig is, omdat mensen hier dat soort gedrag niet altijd pikken.”

Vrouwelijk gezag

In het klaslokaal is het ook niet altijd rozengeur en maneschijn. “Er waren wat escalaties tussen vrouwelijke docenten en mannelijke cursisten”, vertelt Van der Poel. “Binnen bepaalde culturen staat de man in heel veel opzichten boven de vrouw. Mannelijke cursisten vinden het soms heel lastig om het gezag van vrouwelijke docenten te accepteren.”

Gebaseerd op deze ervaring, heeft het programma vanaf vorig jaar een nieuw onderdeel: interculturele communicatie, zowel voor deelnemers als voor docenten, want ‘het begrip moet van twee kanten komen’. Docenten krijgen een training hoe ze met cursisten uit andere culturen om kunnen gaan. Voor deelnemers gaat interculturele communicatie niet alleen maar over de omgangsvormen met het andere geslacht, maar ook bijvoorbeeld over hoe je je online profileert op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Meer maatwerk

Van der Poel gelooft dat dit programma een goed toekomstperspectief heeft. “Maar dan moet de Nederlandse overheid wel bereid zijn meer te investeren in onderwijsparticipatie én culturele integratie en meer gefocust worden op maatwerk. Er is een plan om het nieuwe inburgeringsstelsel veel breder te trekken. We verwachten in 2021 een subsidie van het Rijk om meer deelnemers te kunnen aannemen”, vertelt hij. “Maar willen wij dat, als klein taalcentrum?” vraagt hij retorisch. “Ik snap dat je je als universiteit wilt inzetten voor de maatschappij, maar of dat haalbaar is zonder aan kwaliteit in te boeten?”

Voor het komende studiejaar zoekt Van der Poel nieuwe studentmentoren. Ze worden dan gekoppeld aan een deelnemer op basis van studiekeuze en interesses. De mentor begeleidt de deelnemers bij praktische zaken, zoals hoe je boeken leent in de bibliotheek, een woning regelt, of een inschrijfformulier invult. De Nederlandse taal oefenen hoort er natuurlijk bij. “Maar wat ik veel belangrijker vind, is dat de vluchtelingen op sleeptouw worden genomen in een avondje uit of de kroeg in; mensen leren kennen, plezier hebben met elkaar”, vertelt Van der Poel. “Want zulke persoonlijke contacten missen de vluchtelingenstudenten heel erg.”

Van der Poel heeft vorig jaar laten zien dat de mentormethode heel goed werkt. Wat voor mentoren zoekt hij? “Nederlandstalige studenten, maar vooral mensen die niet snel opgeven”, antwoordt hij. “Het gaat lang niet altijd gemakkelijk, maar de mentoren en de deelnemers worden regelmatig vrienden voor het leven.”

Voor vragen over het mentorprogramma kun je terecht bij vje@eur.nl (EUR) of mentoring@uaf.nl (landelijk).

Aanmelden kan via: https://www.uaf.nl/mentoring.