Ze moet alleen nog worden ingeloot voor de studie geneeskunde – haar hoge cijfers geven haar een kans van 85 procent1.

Maar het blijft een loterij, en Vernooij heeft het geluk niet aan haar zijde. Ze wordt uitgeloot. En het wordt nog erger: de twee jaar erna gebeurt hetzelfde.

Vette pech, en het voelt oneerlijk. Nu, ruim twintig jaar later, zien we echter dat loten misschien zo gek nog niet is.

Dit artikel is geschreven door Jasper Been, Koen Marée en Bart Hekkema en verscheen oorspronkelijk op het online journalistieke platform De Correspondent. In samenwerking met het platform publiceert EM de artikelen hier zonder betaalmuur. De Correspondent biedt onderaan dit artikel een proefabonnement aan, zodat er mee gediscussieerd kan worden over het onderwerp.

Wie mag er studeren?

Het selecteren van studenten op basis van hun talenten of motivatie was tot de driedubbele uitloting van Vernooij taboe: iedereen moest een gelijke kans hebben om te worden toegelaten. Er werd dus geloot.

Maar het uitloten van Vernooij deed de publieke opinie verschuiven. Hoe kon het dat een loterij de toekomst van zoveel jongeren bepaalde? Dat was toch oneerlijk? De minister van Onderwijs (dat was Loek Hermans, VVD) besloot in 1998 dat het anders moest. Dertig procent van de studenten geneeskunde mocht voortaan, buiten de loting om, door de universiteiten zelf worden uitgekozen.

Door de jaren heen werden de mogelijkheden om studenten te selecteren groter en vanaf het studiejaar 2017-2018 is loting zelfs helemaal afgeschaft. Bij elke opleiding2 met een numerus fixus3 wordt nu geselecteerd. Opleidingen doen dat door bijvoorbeeld te kijken naar rapportcijfers, de motivatie of de uitslag van een toets die aankomende studenten hebben moeten afleggen.

Volgens toenmalig minister Jet Bussemaker (PvdA), die het afschaffen van loting regelde, betekende dit dat de ‘geluksfactor’ niet langer zou meespelen. In plaats daarvan zou selectie ervoor zorgen dat ‘de juiste student op de juiste plek’ terecht zou komen. Volgens universiteiten zorgt dit uitgangspunt ervoor dat niet afkomst of achtergrond, maar talenten en capaciteiten bepalen welke student een opleiding mag volgen.

Maar nu blijkt: decentrale selectie is helemaal niet zo eerlijk. Ze zorgt ervoor dat juist geluksfactoren als afkomst en achtergrond veel belangrijker zijn geworden.

darts-dartboaard-dartpijl-imke-van-loon-martens-1103882-unsplash

Lees meer

Universiteiten noemen buitenlandse studenten een verrijking. Maar ze zijn vooral een verdienmodel

‘One hundred and eeeeeighty!’ Geïrriteerd kijken de tweedejaarsstudenten…

Maar wie is de juiste student?

Meike Vernooij vond dat zij bij de opleiding geneeskunde op de juiste plek zat. Maar niet alle 40.000 jongeren die zich in 2018 aanmeldden voor een studie met decentrale selectie weten sinds hun dertiende wat ze later willen worden. Toch is het doel dat élke student op de juiste plek terechtkomt.

Wie is dan die juiste student?

De minister (Jet Bussemaker, PvdA) vond dat er verder moest worden gekeken dan cijfers alleen, zodat een ‘inhoudelijke match’ tussen een opleiding en een student kon ontstaan. De student die het beste bij de opleiding past, is volgens de minister dus niet per se de student met de hoogste cijfers.

Moet een opleiding er dan rekening mee houden dat jongens zich minder snel ontwikkelen en dus lagere cijfers halen op de middelbare school? Is het beter iemand te selecteren die al vanaf z’n vierde patiënten wil beter maken of iemand die later veel geld wil verdienen? En moeten die doktoren verschillende culturele achtergronden hebben, of doet dat er niet toe?

Het zijn belangrijke vragen om erachter te komen welke studenten goed bij de opleiding passen en welke studenten later de beste dokters, techneuten of psychologen worden.

Wie heeft de grootste kans om de opleiding te halen?

Maar dat opleidingen over die vragen nadenken, blijkt niet uit de selectiemethodes die ze gebruiken. Ze selecteren vooral de studenten van wie ze verwachten dat ze snel zullen afstuderen. Dat laat Yvonne Rouwhorst in haar masterscriptie over selectie zien, waarvoor ze vorig jaar de scriptieprijs van de Landelijke Studentenvakbond kreeg. Voor haar onderzoek nam ze negentien interviews af bij universitaire bacheloropleidingen met decentrale selectie.

Opvallend is dat deze opleidingen vrijwel allemaal dezelfde methoden gebruiken om ‘de juiste student’ te selecteren en niet hebben nagedacht over een profiel waarin wordt vastgelegd welke studenten de ‘juiste’ zijn.

Haar bevindingen werden bevestigd door onderzoeksbureau ResearchNed, dat net als Rouwhorst een rondje maakte langs de studies met decentrale selectie. Uit dat onderzoek blijkt dat slechts een derde van de opleidingen een studentprofiel heeft opgesteld om te bepalen welke studenten ze zoeken.

‘Als zo’n profiel ontbreekt, is het maar zeer de vraag hoe je kunt realiseren dat de “juiste student op de juiste plek” komt, zoals de minister beoogde’, stelt Rouwhorst.

Opleidingen selecteren op cijfers, toetsresultaten en – met tegenzin – op motivatie

In de praktijk kiezen opleidingen niet de ‘juiste’ maar de ‘snelste’ studenten. De meeste studies geven letterlijk aan dat het zoeken naar studenten met de laagste kans op uitval, die naar verwachting hoge cijfers halen en van wie ze de minste studievertraging verwachten, het hoofddoel van selectie is.4

Een belangrijke reden hiervoor is dat opleidingen graag empirisch bewezen selectiemethoden gebruiken. Maar wat vooral is onderzocht, is in hoeverre die erin slagen studieresultaten van aankomende studenten te voorspellen.

Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat rapportcijfers op de middelbare school een goede voorspeller zijn van de prestaties van toekomstige studenten. Daarom wordt aankomende studenten op 76 procent van de selectieve studies gevraagd om een cijferlijst. Een respondent in het onderzoek van Rouwhorst zegt daarover: ‘Als je heel simpel selectie wilt doen, pak je gewoon de studenten met de hoogste cijfers.’

Hog_confinement_barn_interior-megastal

Lees meer

Hoe de universiteit een megastal werd

Nederlandse universiteiten vechten elkaar de tent uit. Door de manier waarop ze bekostigd…

Voor sommige studies word je met een acht gemiddeld sowieso toegelaten, zonder verdere check of de opleiding goed bij je past. Een respondent in het onderzoek van Rouwhorst zegt daarover: ‘Onze acht-plussers zijn onze beste studenten. Die halen de beste cijfers, studeren het snelst, halen de meeste credits. (…) Het zou dom zijn om daar niet op te selecteren, dus dat hebben we gewoon gedaan.’

Daarnaast kiest 89 procent van alle numerusfixusopleidingen ervoor een toets af te nemen. Ook deze toetsen zijn volgens ResearchNed goede voorspellers van de prestaties van toekomstige studenten. Een respondent: ‘Wij kijken na de eerste toets wie het het allerslechtste doen en die kijken wij verder niet meer na.’

Ook de motivatie van studenten speelt een rol, bijvoorbeeld door te vragen om een sollicitatiebrief of het houden van korte interviews met kandidaten.

Maar, zo blijkt uit de onderzoeken van Rouwhorst en ResearchNed, opleidingen doen dit niet van harte. Veel opleidingen geven aan dat motivatie niet objectief en waardevrij is vast te stellen, en dat ze ook geen goede voorspeller is van toekomstige studieresultaten. Een respondent: ‘Het voorspelt allemaal voor geen meter, mensen kunnen natuurlijk ook motivatie faken.’

Wij willen ze het liefst zo snel mogelijk weer kwijt

Een andere belangrijke reden waarom opleidingen graag de prestaties van hun aankomend studenten willen voorspellen, is dat universiteiten daar voor hun financiering5 van afhankelijk zijn. Universiteiten krijgen namelijk alleen een rijksbijdrage voor studenten die in de eerste drie jaar van hun studie zitten. Doet een student er langer over, dan moeten universiteiten de kosten zelf opbrengen.

Elke vorm van vertraging of uitval betekent dat de universiteit zelf geld bij moet leggen. Een respondent uit het onderzoek van Rouwhorst verwoordt het treffend. Studenten die niet goed presteren, wil ze het liefst ‘zo snel mogelijk weer kwijt’.

Een andere respondent zegt het zo: ‘Je kunt natuurlijk allemaal jubelende en gemotiveerde studenten binnenhalen, maar als die vervolgens langzaam studeren, dat moet je ook niet hebben. Het is onze taak om studenten op te leiden, maar ook om dat op een efficiënte manier te doen.’

Welke opleiding die studenten mag selecteren kan de verleiding weerstaan alleen de best presterende studenten te kiezen?

Ze zou een dief zijn van haar eigen portemonnee.

De geselecteerde studenten presteren goed, maar...

Uit het onderzoek van ResearchNed blijkt dat universiteiten het doel6 van decentrale selectie halen. ‘Opleidingen geven aan dat studenten die geselecteerd zijn door middel van decentrale selectie het over het algemeen beter doen, vooral in het eerste jaar. De uitval is kleiner en studenten van sommige fixusopleidingen halen hogere cijfers.’

Hetzelfde concludeerde de onderwijsinspectie in 2017: ‘We zien dat studenten in selecterende bacheloropleidingen met een numerus fixus in wo en hbo minder vaak uitvallen, minder vaak van opleiding veranderen en vaker een diploma behalen van de initiële opleiding dan voordat deze opleidingen selecteerden.’

Opleidingen slagen er dus in om studenten te selecteren die beter presteren.

Maar decentrale selectie blijkt kwalijke gevolgen te hebben.

Geselecteerd: vooral brave witte meisjes

De onderwijsinspectie schreef in 2017 dat decentrale selectie leidt tot kansenongelijkheid. Vrouwen en jongeren met een Nederlandse achtergrond stromen vaker in dan mannen en studenten met een niet-westerse migratieachtergrond. Daarnaast hebben studenten met lager opgeleide ouders en studenten uit lagere inkomensgroepen het lastig.

De onderzoekers van ResearchNed concludeerden hetzelfde: de studentenpopulaties zijn sinds de afschaffing van loting minder divers geworden. Een respondent gaf aan het gevoel te hebben vooral ‘brave witte meisjes’ te selecteren, nog meer dan al bij gewogen loting het geval was.

Die ‘brave witte meisjes’ ontwikkelen zich sneller dan jongens, waardoor ze een grotere kans hebben op goede cijfers op de middelbare school, en dus om het goed te doen in de decentrale selectie.

Ook in eerder onderzoek legt ResearchNed een direct verband tussen de toelatingskansen van bepaalde groepen en de gehanteerde selectie-instrumenten.

  • Wie een niet-westerse migratieachtergrond heeft, heeft een kleinere toelatingskans als er getoetst wordt op informatieverwerking.
  • Kinderen van lager opgeleide ouders hebben een kleinere plaatsingskans als er op motivatie wordt getest (wat bij zeven van de tien studies gebeurt).
  • Vwo’ers hebben een grotere toelatingskans dan leerlingen van een andere vooropleiding.
  • Als hun ouders dezelfde opleiding hebben gedaan, maken leerlingen meer kans.
  • Wie een migratieachtergrond heeft, heeft een kleinere toelatingskans bij geneeskunde.
  • Wie een voorbereidingstraining voor geneeskunde heeft gevolgd, maakt voor die studie meer kans. (En rijkere ouders ondersteunen hun kinderen vaker financieel, bijvoorbeeld om zo’n training te kunnen volgen.)

 

Yvonne Rouwhorst realiseert het zich maar al te goed: ‘In 2009 werd ik ingeloot voor internationale betrekkingen en internationale organisaties in Groningen. Maar ik weet vrij zeker dat ik met de huidige methoden niet geselecteerd was en de kans had gekregen om daar te starten. Ik kom uit een omgeving in de Achterhoek waar het helemaal niet zo leeft dat je hele hoge cijfers moet halen of extracurriculaire activiteiten moet doen. Dat heb je nu vaak wel nodig, wil je geselecteerd worden.’

Geluksfactoren zijn juist bepalend geworden

Meike Vernooij was übergemotiveerd en had een cijfergemiddelde van een 9,6. Toch werd ze drie keer uitgeloot voor de studie geneeskunde. Dat is niet alleen pech voor jongeren die uitgeloot worden: het betekent ook dat de samenleving een goede dokter of onderzoeker kan mislopen.

Via een sluiproute mocht Meike tóch beginnen aan de studie geneeskunde. Die haalde ze cum laude, waarna ze cum laude promoveerde. Vorig jaar werd ze hoogleraar Population imaging aan het Erasmus MC, hetzelfde ziekenhuis waar ze als scholier een bijbaan had.

Het is voor jongeren als Meike dat het loten bij numerus fixus is afgeschaft. Volgens de vorige onderwijsminister, Jet Bussemaker, mocht de ‘geluksfactor’ niet langer meespelen bij het al dan niet toegelaten worden tot een numerusfixusopleiding.

En het klopt: de toekomst van veel jongeren is niet langer afhankelijk van een loterij.

Maar in plaats van het lot zijn hele andere geluksfactoren belangrijk geworden. Hoewel universiteiten stellen dat afkomst en achtergrond niet mogen bepalen waar je mag studeren, zijn precies die twee dingen belangrijker geworden nu opleidingen hun studenten mogen selecteren.

Wil je toegelaten worden tot een studie met decentrale selectie, dan helpt het mee als je het geluk hebt dat je een kind bent van rijke en gestudeerde ouders die je een bepaalde sekse en huidskleur hebben meegegeven.

Decentrale selectie voelt dus misschien eerlijker: als je hard werkt kun je beginnen aan de opleiding van je dromen. In de praktijk echter leidt decentrale selectie, en de methoden die voorspellen of studenten hun diploma snel zullen halen, ertoe dat geprivilegieerde groepen een grotere kans hebben om toegelaten te worden.

In een brief van eind vorig jaar kondigde onderwijsminister van Engelshoven aan om eind dit jaar te besluiten of maatregelen om kansenongelijkheid bij decentrale selectie tegen te gaan noodzakelijk zijn.

En vorige maand schreef ze, ook in een brief over kansengelijkheid: ‘De inzet om studenten zo snel mogelijk hun diploma te laten halen, kan voor sommige groepen studenten betekenen dat zij niet meer instromen (…). Gelijke kansen bieden betekent soms ook extra tijd geven.’

Dat geeft hoop.

Wat doen de universiteiten hieraan?

Wij hebben de drie universiteiten met de meeste numerusfixusplaatsen gevraagd om een reactie.

In een reactie stelt de Universiteit Utrecht zich bewust te zijn van de problematiek en te proberen bias in selectiemethoden te voorkomen. Verschillende Utrechtse opleidingen ervaren problemen wat betreft bias in de selectie-instrumenten en merken dat de diversiteit van de studentenpopulatie is afgenomen. Daarom doet de universiteit uitgebreid onderzoek naar haar selectieprocedures en stapt zij onder andere af van open motivatiebrieven7.

De universiteit noemt een van de eigen onderzoekers, Sebastiaan Steenman, die volgens de universiteit terecht wijst op het belang van aandacht voor de effecten van de bredere procedure, en niet alleen de selectie-instrumenten die opleidingen gebruiken. Zo heeft Steenman de hypothese dat de vroege aanmelddatum8 ervoor zorgt dat meisjes in het voordeel zijn, omdat dan 5-vwo-cijfers worden gebruikt, een meetmoment waarop jongens relatief slechter presteren.

De Universiteit van Amsterdam herkent de problematiek. Opleidingen proberen selectiebias ‘zo goed mogelijk te beperken en te voorkomen’. De Universiteit Leiden geeft aan de onderzoeksresultaten te kennen en zelf verder onderzoek te doen naar kansengelijkheid.

In samenwerking met De Correspondent publiceert EM een serie verhalen over concurrerende universiteiten. Meepraten over dit onderwerp kan ook op De Correspondent. Via de link corr.es/universiteit en met de code uni maak je een gratis maandabonnement aan (loopt vanzelf af) zodat je je ervaringen en expertise met andere leden kunt delen. Politici, hoogleraren en andere studenten gingen je al voor.

  1. Er was in 1996 al sprake van ‘gewogen’ loting, waarmee je met hogere cijfers meer kans maakte om ingeloot te worden. ↩︎
  2. Benieuwd naar welke studies dat zijn? Hier vind je een lijstje met alle numerusfixusopleidingen. ↩︎
  3. Dit betekent dat een opleiding maar een bepaald aantal studenten toelaat. Het aantal numerusfixusopleidingen op de universiteit (bachelor) schommelt al jaren rond de 10 procent. Zie tabel 5.2.1. op pagina 35 van dit, in april 2019 verschenen, rapport.‘Technisch rapport – De staat van het hoger onderwijs 2019’ ↩︎
  4. Uit het onderzoek van ResearchNed: ‘De meeste opleidingen noemen als belangrijkste doel het (…) terugdringen van uitval, het behalen van hoge cijfers en/of het voorkomen van studievertraging.’ Bron: ResearchNed: ‘Numerus fixus, selectie en kansengelijkheid in het wetenschappelijk onderwijs’, oktober 2018, p. 6 ↩︎
  5. Om de opleiding van jongeren te financieren zet het ministerie van Onderwijs voor elk van hen een zak geld opzij. De hoeveelheid geld in deze zak wordt bepaald aan de hand van vooraf gestelde studieduur van de studie waarvoor iemand zich inschrijft. Voor de meeste studenten is dit vier jaar – drie jaar voor een bachelor en één voor een master. Daarnaast krijgen universiteiten een diplomabonus als een student is afgestudeerd.

    Universiteiten ontvangen dit geld om hun onderwijs mee te financieren. Maar heeft een student méér dan vier jaar gestudeerd dan is de zak leeg en moeten universiteiten de kosten zelf opbrengen.

    Dat zorgt voor problemen.

    Stel: Een student doet een driejarige bacheloropleiding, maar loopt vertraging op en doet er vier jaar over. Vette pech voor de universiteit, want het laatste jaar zal zij zelf moeten ophoesten.

    Stel: Een student besluit na één jaar van opleiding en universiteit te wisselen. Vette pech voor de tweede universiteit, want deze moet nog minimaal drie jaar onderwijs geven aan een student die nog maar voor twee jaar geld in zijn zak heeft.

    Stel: Een student volgt twee jaar lang een opleiding en besluit toch niet af te studeren. Vette pech voor de universiteit, want die ziet een diplomabonus aan z’n neus voorbijgaan. ↩︎

  6. Of zoals de onderzoekers het noemen – het ‘enge’ doel. ↩︎
  7. ‘In plaats van dat we sociaal kapitaal meten in dat kandidaten van ouders meekrijgen wat je in zo’n brief moet schrijven, zijn ze steeds vaker gestructureerd, zodat kandidaten weten waarover ze moeten schrijven.’ ↩︎
  8. 15 januari al, dus voor de centrale examens. ↩︎
  9. Hier vind je drie pagina’s uit die documenten. ↩︎
  10. Hier vind je meer over dat containerbegrip. ↩︎
  11. Lees dat artikel bij NRC. ↩︎
  12. Dat essay lees je hier. ↩︎
  13. Hier zie je min of meer wat de focuslanden zijn. ↩︎
  14. Bekijk dat bericht hier. ↩︎
Lees 2 reacties