Prestatieafspraken universiteiten op een rij

De universiteiten hebben hun ambities voor de komende jaren bekendgemaakt. Ze willen veel meer studenten binnen redelijke tijd een diploma laten halen. Door het onderwijs te verbeteren, maar ook door zwakke studenten sneller weg te sturen.

Staatssecretaris Halbe Zijlstra was er als VVD-kamerlid al heilig van overtuigd dat het moest kunnen: prestatiebekostiging in het hoger onderwijs. Goede onderwijsinstellingen moeten meer geld krijgen dan de middelmatige, vindt hij nog steeds.

Maar de ene student is de andere niet, technische opleidingen zijn zwaarder dan andere, de provincie en de Randstad laten zich moeilijk vergelijken… Dus welke instelling is er dan eigenlijk beter dan de andere? Zijlstra gooide het daarom over een andere boeg en geeft extra geld aan instellingen die zich verbeteren. Wie de weg omhoog inslaat, kan op zijn steun rekenen.

Samen met de instellingen formuleerde hij een aantal verbeterpunten. Zo moet de studieuitval in het eerste jaar omlaag en moeten er meer studenten op tijd hun diploma halen. Tegelijk wil hij dat het niveau van het onderwijs omhoog gaat en er minder geld naar de overhead weglekt. Ook dienen alle instellingen na te denken over hun ‘profiel’: ze mogen niet langer allemaal dezelfde opleidingen aanbieden.

Zeven procent van het basisbudget van de instellingen wordt ervan afhankelijk. Universiteiten en hogescholen maken ieder apart afspraken met het ministerie. Ze hebben intussen allemaal een voorstel ingediend, veelal een document van een pagina of veertig in mooie kleuren en gelardeerd met foto’s van studenten en wetenschappers. Een ‘reviewcommissie’, onder leiding van onderwijsbestuurder Frans van Vught, zal zich erover buigen en de staatssecretaris van advies dienen.

Uitval omlaag

Uit de voorstellen blijkt dat de prestaties momenteel sterk uiteen lopen. Bij de Rijksuniversiteit Groningen is de uitval in het eerste studiejaar slechts twaalf procent, het laagst van alle universiteiten. De hoogste uitval zit niet, zoals misschien verwacht, bij de technische universiteiten, maar bij de Universiteit van Amsterdam (22 procent haakt in het eerste studiejaar af) en bij de Universiteit van Tilburg, waar bijna een kwart (24,4 procent) het binnen een jaar voor gezien houdt.

Op het eerste gezicht zijn de ambities van de meeste universiteiten op dit onderdeel niet zo hoog. Slechts vier universiteiten willen een echt sprongetje maken: Maastricht, Utrecht en de Vrije Universiteit gaan hun uitval van eerstejaars terugdringen van zo’n achttien naar vijftien procent in 2015. En de TU Eindhoven wil van 23 terug naar minder dan twintig procent.

Opvallend is dat twee instellingen juist een verhoging van de uitval voorspiegelen. Delft wil meer studenten laten afhaken: geen negentien procent, maar 22 procent. Ook Wageningen voorziet dat de lage uitval van veertien procent hoger zal worden, maar wil die onder de twintig procent houden. De verwachting is dat ze met een strenger eerste studiejaar – en dus meer uitval – uiteindelijk een hoger slagingspercentage krijgen. Wageningen voert bovendien aan dat overheidsmaatregelen als de langstudeerboete voor hogere uitval zullen zorgen.

Minder switchers

Ook gaan universiteiten er met goede voorlichting voor zorgen dat hun studenten meteen aan de juiste opleiding beginnen. Op die manier hopen ze het aantal ‘switchers’ te verminderen: studenten die zich na hun eerste studiejaar inschrijven aan dezelfde universiteit, maar bij een andere opleiding. In Tilburg doet dertien procent dat, terwijl het in Wageningen maar om drie à vier procent gaat.

Bij dit onderwerp wordt goed duidelijk waarom Zijlstra met alle instellingen afzonderlijk afspraken maakt. Zo wijst Maastricht op de bacheloropleidingen rechtsgeleerdheid, fiscaal recht en Europees recht, die een gemeenschappelijk eerste jaar hebben waarna studenten zonder studievertraging kunnen overstappen. Op zo’n ‘switch’ kun je de universiteit moeilijk afrekenen.

Hoger rendement

De meest heikele prestatieafspraak gaat over het rendement: hoeveel studenten ronden hun driejarige bacheloropleiding binnen vier jaar af? Aan de technische universiteiten is dat cijfer dramatisch laag: slechts 27 procent in Delft, 39 procent in Enschede en 41 procent in Eindhoven. En dan tellen niet eens de studenten mee die het in hun eerste jaar al voor gezien houden: het gaat in deze cijfers alleen om ‘herinschrijvers’. De TU Delft en de TU Eindhoven willen er zo spoedig mogelijk 55 procent van maken en de Universiteit Twente zet in op zestig procent.

Maar daarmee blijven ze nog ruim onder menige andere universiteit. De kampioen is momenteel de Universiteit Maastricht, waar 78 procent binnen vier jaar klaar is. Daar zou de instelling graag tachtig procent van maken. Ook Utrecht scoort hier goed op: 74 procent haalt binnen redelijke tijd het bachelordiploma en dat moet 77 procent worden.

Behalve de technische universiteiten gaan ook andere instellingen naar eigen zeggen flinke sprongen maken. De Rijksuniversiteit Groningen wil van 53 naar 70 procent, de Uva van 55 naar 70 procent, de Vrije Universiteit van 63 naar 75 procent en Wageningen van 62 naar 75 procent.

Mocht dit allemaal uitkomen, dan zou de verbetering van het bachelor-rendement spectaculair zijn. De afgelopen jaren lukte het nauwelijks om er enig schot in te krijgen, maar misschien dat de langstudeerboete – of het leenstelsel, als dat er komt – hier verandering in gaat brengen. Het wordt nogal duur om studievertraging op te lopen.

Natuurlijk is het niet de bedoeling dat het rendement verbetert door de spreekwoordelijke ‘lat’ te laten zakken en minder zware eisen te stellen aan studenten. De instellingen willen het aantal contacturen per week verhogen naar minstens twaalf. En ze gaan ervoor zorgen dat in 2015 een kwart (Delft, Eindhoven) tot negentig procent (UvA) van de docenten een didactische cursus heeft gevolgd.

Rompslomp

Het is overigens de vraag of alle plannen van staatssecretaris Zijlstra doorgaan. Er komt immers een nieuw kabinet en het CDA is bepaald niet dol op de prestatieafspraken: ze zijn mogelijk in strijd met artikel 23 van de Grondwet en zorgen voor extra administratieve rompslomp.

Of de prestatieafspraken gehaald worden is ook nog eens lastig te bewijzen, temeer omdat de instellingen volgens hun eigen afspraken geen extra geld aan overhead willen spenderen. Bijna allemaal, willen ze hun ‘indirecte kosten’ terugdringen.

De hoogste overhead hebben momenteel de Erasmus Universiteit (21,4 procent) en de Universiteit van Tilburg (21,8 procent). Zij willen daar minder dan twintig procent van maken. De Radboud Universiteit Nijmegen (14 procent) en de TU Eindhoven (15,4 procent) geven het minst uit aan overhead en de Nijmegenaren willen er bovendien nog tien procent op bezuinigen.

Drie documenten voor prestatievoorstellen werden in het Engels geschreven, wat weliswaar lekker internationaal is, maar ook voor vertaalproblemen zorgt: wat is ‘hoger eindniveau’ in het Engels? Spreek je dan van ‘more advanced exit qualifications’ (UvA) of ‘more advanced learning outcomes’ (VU)? Voor de zekerheid zetten beide de Nederlandse term tussen haakjes erachter.

Komend najaar zal staatssecretaris Zijlstra of zijn opvolger definitieve afspraken maken met de instellingen. 

Tabel: Prestatieafspraken universiteiten

 

Bron: Prestatieafspraken, bewerking HOP

Deel dit artikel

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
  • Hiermee kun je je aanmelden voor de EM nieuwsbrief. Je krijgt elke donderdag een mail met het belangrijkste nieuws van de week. Er is een Nederlandstalige en een Engelstalige editie.

    Vragen over de nieuwsbrief? Lees eerst onze veelgestelde vragen.