Het is zondagochtend in het Scheepvaartkwartier. Het Westplein is nog niet helemaal wakker wanneer Welmer de Groot van de fiets stapt. Bij binnenkomst in het nog rustige Grand Café-Restaurant Loos bestelt hij een kopje muntthee. “Deze wijk herinnert me aan mijn eerste kennismaking met Rotterdam”, legt De Groot uit. Hij wilde namelijk graag op deze plek een gesprek voeren. Negen jaar geleden kwam hij voor het eerst in Rotterdam voor de introductieweek van het Erasmus MC en logeerde hij in het Maritime Hotel aan de Willemskade. Sindsdien komt hij hier graag. “Ik heb alleen maar mooie herinneringen aan deze wijk, het blijft een bijzondere plek voor mij.”

Welmer de Groot (29) studeert Geneeskunde aan de EUR. Momenteel loopt hij co-schappen. Daarnaast werkt hij voor het Ministerie van Defensie en is hij voorzitter van Erasmus Pride, de LHBT+-belangengroep van de universiteit. “Dit jaar staat voor Erasmus Pride in het teken van een doorstart. We willen meer medewerkers trekken en zijn een aantal veelbelovende projecten gestart, zoals het organiseren van een evenement tijdens Rotterdam Pride samen met de Rotterdamse Hogescholen.”

Ruimte voor een gesprek

Gedurende Rotterdam Pride, de jaarlijkse viering van seksuele diversiteit in de stad, hesen alle studentenverenigingen de regenboogvlag. Alleen de christelijke vereniging NSR deed daar niet aan mee. De Groot, die zelf in een christelijke gemeenschap opgroeide en uit de kast kwam, veroordeelde de weigering van NSR in een open brief.

Waarom schreef je het bestuur van NSR een open brief over de regenboogvlag?

“Ik zie het hijsen van de regenboogvlag als een steunbetuiging richting de LHBT+-gemeenschap. NSR gaf aan dat ook LHBT+-studenten welkom zijn binnen de vereniging, maar toonde verder geen zichtbare steun. Ze zeiden dat ze liever een persoonlijk gesprek aangaan, maar ze beseffen niet dat een gesprek beginnen over homoseksualiteit moeilijk is binnen de christelijke gemeenschap. Juist met het hijsen van de regenboogvlag kun je een signaal geven dat er ruimte is voor een gesprek.

“Ik kom uit een conservatief christelijk gezin in Friesland en heb zelf ervaren hoe lastig het is om uit de kast te komen. Als jonge LHBT’er heb je vaak geen rolmodellen in je omgeving en het is lastig om iemand te vinden om mee te praten. Daarom is zichtbare steun heel belangrijk, vooral in een omgeving die niet vriendelijk is voor LHBT’ers.”

Hoe waren je tienerjaren?

“Ik was heel erg bezig met de strijd om mezelf te mogen zijn. Rond mijn twaalfde merkte ik dat ik op mannen viel. In de kerk werd er gezegd dat, ook al komt het wel vaak voor, homoseksualiteit maar een fase is. Dat als je er heel hard voor bidt, het vanzelf weer overgaat. Tot mijn zestiende hoopte ik ook dat het over zou gaan.

“Terwijl mijn vrienden begonnen met liefdesrelaties, moest ik steeds een excuus verzinnen waarom ik geen vriendin had of wat ik van meisjes vond. Op gegeven moment dacht ik: dit klopt niet, ik kan niet zo leven. Ik ging op zoek naar een verklaring: waarom ben ik zoals ik ben? Vanaf dat moment begon ik mezelf te accepteren. Het heeft in totaal zeven jaar geduurd voordat ik uit de kast kwam. Op mijn negentiende vertelde ik het pas voor het eerst aan mijn ouders.”

Hoe reageerden je ouders daarop?

“Ik heb vrij progressieve ouders binnen een conservatieve kerkelijke gemeenschap. Mijn vader vond het prima, maar mijn moeder had er meer moeite mee. Het heeft jaren geduurd voordat ze aan het idee kon wennen. De christelijke gemeenschap hielp zeker niet. Daar heerste het idee dat, als je zoon gay is, je als moeder te dominant bent geweest in de opvoeding. Het ligt dus als een zware last op haar schouders.”

Speelde dat mee in je besluit om het Friese platteland te verlaten?

“Ik was inderdaad klaar met Friesland en de kerkelijke omgeving. De meeste van mijn schoolvrienden gingen naar Groningen en kwamen nog elk weekend thuis, maar ik vond Groningen net zo benauwend als Heerenveen. Ik zocht meer afstand van huis.”

welmer-2
De Groot in zijn favoriete wijk Scheepvaartkwartier

Voortijdig teruggegaan uit Afghanistan

Die afstand vond De Groot in Rotterdam, waar hij in 2009 zijn studie Geneeskunde begon. Niet lang daarna ging hij bij het Ministerie van Defensie werken. In 2013 werd hij uitgezonden naar Afghanistan als specialistisch beveiliger voor de Koninklijke Luchtmacht. De missie zou vierenhalve maand duren, maar De Groot kwam eerder naar huis doordat er problemen ontstonden tussen hem en zijn collega’s.

Wat is er gebeurd in Afghanistan?

“Ik zat in de meest conservatieve groep. Al vanaf de eerste dag zei mijn kamergenoot: ‘Ik wil niet in één kamer slapen met een homo.’ Toen ik dat hoorde, schrok ik. Ik had nog nooit te maken gehad met zo’n uitgesproken afkeer. Ik had mijn bed opgemaakt en spullen neergezet in de container waar we moesten slapen. Toen ik later die dag de container binnenkwam, waren mijn spullen van het bed gegooid. Mijn kamergenoot was met een collega kasten aan het opzetten om de ruimte in tweeën te delen. Hij had een eigen kamertje binnen de container gecreëerd.

“Ook al was het relatief veilig in Noord-Afghanistan, werkte je toch met een wapen en deed je patrouillediensten. Je moest dus volledig op elkaar kunnen vertrouwen. Zo’n uitzending is een snelkookpan, je zit continu tussen je collega’s, hebt lange intensieve diensten, dus emoties spelen snel op en het ging bij ons helemaal de verkeerde kant op. Dat creëerde een hele complexe situatie. Het conflict is zo geëscaleerd dat ik uiteindelijk toch besloot om naar huis te gaan.”

Voelde je terugkeer als een nederlaag?

“Nee. Het voelde juist als een opluchting. Ik had de uitzending af willen maken, maar gezien de omstandigheden was teruggaan de juiste beslissing. Ik had inderdaad mijn gelijk kunnen halen en er een hele strijd van kunnen maken, maar wat zou het opleveren? Die jongen zou zijn opvatting over homoseksualiteit alleen bevestigd zien: ik zou een vijand worden die de strijd met hem aanging. Ik wilde juist iets constructiefs bereiken.”

Diversiteit schuurt

welmer-3

Defensie bood De Groot kort na zijn terugkeer een rol aan in een onderzoek naar acceptatie van homoseksualiteit binnen de organisatie. “Wat er in Afghanistan is gebeurd ging niet zozeer om acceptatie van homoseksualiteit, maar om acceptatie van verschil”, vertelt hij. Uiteindelijk breidde hij het onderzoek daarom uit naar diversiteit en inclusiviteit binnen Defensie. “Het onderzoek leverde interessante conclusie op, namelijk dat masculiniteit een heel belangrijke waarde is binnen de organisatie”, vertelt De Groot. “Door steeds meer diversiteit bij te brengen proberen ze de masculiniteit te balanceren.”

Hoe zie je diversiteit?

“In het algemeen brengt diversiteit creativiteit en aanpassingsvermogen met zich mee, daardoor bereik je soms meer productiviteit. Tegelijkertijd geeft diversiteit frictie, daarom moet je dus specifiek kunnen uitleggen waarom diversiteit van belang is voor je organisatie.

“Wat mij opvalt, is dat de vertegenwoordigende organen van de minderheidsgroepen heel vaak kiezen voor een slachtofferrol: wij zijn zielig, want wij zijn anders en wij worden onderdrukt. Daar kan ik me niet zo goed mee identificeren. Ik leg liever de nadruk op de meerwaarde van diversiteit. Het idee dat je diversiteit kan vieren, past beter bij me.”

Is dat niet utopisch?

“Niet binnen Defensie. Ze zijn goed in laten zien wat de meerwaarde van diversiteit is, bijvoorbeeld voor een missie. Vroeger bestond een peloton enkel uit mannen. Maar als je alleen mannen stuurt naar een Afghaans dorp om informatie te vergaren bij de locals, dan ben je beperkt in je bronnen. Die mannelijke militairen mogen namelijk niet met de vrouwen praten. En dat terwijl vrouwen er een grote groep vormen en specifieke kennis over hun omgeving hebben. Diversiteit is dus van belang voor het slagen van de missie, want vrouwelijke collega’s zorgen ervoor dat je de vrouwen kan bereiken en daardoor veel effectiever kan werken.”

Wat zou de Erasmus Universiteit kunnen leren van jouw onderzoek naar inclusiviteit binnen Defensie?

“De EUR is divers, maar niet inclusief. Het Diversity & Inclusion Office heeft als doel dat iedereen zich hier thuis voelt, maar dat is onmogelijk want je voelt je het meest thuis tussen mensen die op je lijken. Diversiteit schuurt en geeft altijd wrijving. Als universiteit zou je diversiteit moeten vieren, in de zin dat je de meerwaarde van diversiteit laat zien zodat iedereen waardering heeft voor diversiteit.

“Je moet natuurlijk ook plekken bieden waarin mensen zich wél thuis kunnen voelen, zoals een specifieke vereniging voor mensen met dezelfde culturele achtergrond. Daar is niks mis mee, daar kunnen mensen tot rust komen, maar in diversiteit kunnen ze zich niet continu thuis voelen. Tussen al die verschillen moet de universiteit juist de focus leggen op eenheid: wat bindt ons? Wat maakt ons de Erasmus Universiteit? Als je echt een inclusieve universiteit wil zijn, dan moet je onderwijsvormen creëren waarin diversiteit functioneel is.”

Wat bedoel je daarmee?

“Dat diversiteit een waarneembare functie heeft. Neem Defensie weer als voorbeeld. De groep reservisten met wie ik mijn eerste opleiding deed, was heel divers – leeftijd van 18 tot 48, mannen én vrouwen van allerlei culturele achtergronden en opleidingsniveaus. Als team krijg je een opdracht waarin de verschillende vaardigheden een functie hebben. De groepsleiders sturen daar heel sterk op, want ze weten: hier komt ieders talent aan bod en krijgt iedereen een kans om bij te dragen vanuit zijn of haar specifieke kennis en achtergrond.

“Ik denk dat je tactisch moet omgaan met diversiteit. Bewust kiezen wanneer je diversiteit inzet en wanneer niet. Je hoeft niet in elke situatie altijd voor radicale diversiteit te gaan. Je moet het bijvoorbeeld niet willen dat alle toiletten genderneutraal worden, want de meeste mensen gaan het liefst naar gescheiden toiletten. Wél moet je een aantal genderneutrale toiletten beschikbaar stellen voor degenen die zich niet comfortabel voelen om de conventionele toiletten te gebruiken.”

Dat klinkt heel pragmatisch.

“Dat moet ook. Diversiteit en inclusiviteit kun je vanuit twee kanten benaderen: het ethische perspectief of een technische benadering. Ik heb meer met de laatste; dan hebben we over the minority and the dominant majority. Om the dominant majority zover te krijgen moet je hun taal spreken en uitleggen waarom diversiteit interessant is voor hen. In de praktijk werkt de pragmatische benadering het beste.”

2018

Onderdeel van de Special

Dit was 2018

De burgerrechten wonnen het (een heel klein beetje) van ongebreideld technologisch…

Al één reactie — discussieer mee!