Nederlandse kenniseconomie stabiel op plaats acht

Nederland behoudt zijn achtste positie op de wereldranglijst van meest concurrerende economiën. Het dankt dit onder meer aan zijn uitstekende hoger onderwijs, waarmee het slechts twee landen boven zich hoeft te dulden.

Nederland stond in 2000 nog vierde in de ranglijst die het World Economic Forum jaarlijks publiceert. Maar in de jaren erna viel Nederland terug en belandde het zelfs buiten de top tien.

Politiek gevoelig

De lijst ligt politiek gevoelig. In 2009 riep een unanieme Tweede Kamer het kabinet op om Nederland terug te brengen in de top vijf van deze zogeheten Global Competitiveness Index. Dat lukt al in 2012, sneller dan verwacht. Maar die hoge positie was van korte duur. Nederland duikelde in 2013 drie plaatsen naar beneden. Dit jaar handhaaft Nederland zich, meldt Henk Volberda, hoogleraar bij het Rotterdamse instituut dat de Nederlandse onderzoekgegevens voor de index verzamelt.

Nederland dankt dit onder meer aan zijn uitstekende hoger onderwijs (van de zesde naar de derde positie wereldwijd), zijn goede infrastructuur (vierde positie) en zijn open markten (zesde positie) en zijn aandacht voor innovatie (achtste positie). De wetenschappelijke onderzoeksinstituten zijn nog altijd van hoog niveau (zesde positie).

Topsectorenbeleid werpt zijn vruchten af

Na een stroperige start begint ook het topsectorenbeleid van het kabinet zijn vruchten af te werpen, stelt Volberda. “Waar er afgelopen jaren een nijpend tekort was aan kenniswerkers, zijn er nu beduidend meer technici en ingenieurs beschikbaar.” Ook de samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven is verbeterd. Wel is het beleid volgens hem nog te veel gericht op harde technologische investeringen in de negen topsectoren en te weinig op sector-overstijgende innovaties en nieuwe maatschappelijke uitdagingen.

 

Zwakke plekken

De arbeidsmarkt en het financiële systeem zijn de zwakke punten van Nederland. Het blijft moeilijk om werknemers te ontslaan en dat vinden de rapporteurs “rigide”. Ook is er hier een “gebrek aan flexibiliteit in de loonvorming”, waarmee wordt bedoeld dat de inkomens volgens cao’s vastliggen. Verder hebben de banken het zwaar door de economische tegenwind en dat heeft weer gevolgen voor het krediet aan het midden- en kleinbedrijf.

Op de plaatsen één en twee van de ranglijst staan opnieuw Zwitserland en Singapore. De Verenigde Staten is Finland gepasseerd en bezet de derde positie. HOP

Deel dit artikel