Volgens Eur-promovenda Susan Hogervorst heeft de totstandkoming van het Nationaal Historisch Museum weinig met geschiedwetenschap van doen. De museumdirecteuren bepalen uiteindelijk zelf wat erin het museum komt, toch mengen twintig jonge historici zich in het debat om hun invloed uit te oefenen.

“Lieve mensen”, spreekt Valentijn Byvanck de zaal toe. Een grijns tekent zijn gezicht. “Dit is het aardigste wat ik vandaag tegen jullie zeg: het wordt menens, we gaan het nu eindelijk eens hebben over de inhoud van het museum.”

Bijvanck, de kersverse museumdirecteur van het Nationaal Historisch Museum, is samen met zijn compagnon Erik Schilp deze 14 januari uitgenodigd voor het eerste publieke debat over het Nationaal Historisch Museum (NHM). Onder de titel ‘Statement XX’ praten twintig academici vanmiddag in het Koffiehuis te Amsterdam over het conceptplan van de directeuren. De groep van ‘Twintig’ bestaat voornamelijk uit jonge historici afkomstig van verschillende universiteiten in Nederland die vrezen dat het NHM een pretpark wordt en hebben een debat geopend over wat de inhoud van het museum zou moeten worden.

Voor de Erasmus Universiteit maakt promovenda Susan Hogervorst deel uit van het gezelschap. Zij doet onderzoek naar de herinneringscultuur van concentratiekamp Ravensbrück in Europa. “In mijn onderzoek ben ik bezig met de maatschappelijke omgang met het verleden, vandaar mijn betrokkenheid bij het Nationaal Historisch Museum”, vertelt ze.

Volgens Hogervorst is het goed dat er een discussie plaatsvindt over de inhoudelijke invulling van het museum. Te lang ging het over de randzaken.

En inderdaad, de geschiedenis van dit nationaal museum is een verhaal op zich. In 2003 kwam SP’er Jan Marijnissen al met het idee voor een nationaal museum. Vier jaar later maakte minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekend dat het museum er daadwerkelijk komt en wel in Arnhem. En in 2008 wees de minister ook de directeuren aan, Byvanck en Schilp dus.

Maar nu is deze middag het moment daar: de historici kunnen eindelijk over de inhoudelijke invulling van het museum discussiëren. Namens de aanwezigen in de zaal zet historicus Krijn Thijs, uit Leiden, de toon. Uit zijn betoog klinken twijfels over de komst van een nationaal museum. Volgens hem moet het museum geen overheidsspeeltje worden, waarmee een te mooi, positief beeld van Nederland wordt geschetst. In de tijd van een individualiserende samenleving bestaande uit verschillende culturen moeten we de geschiedenis niet misbruiken voor onze identiteitsproblemen, meent hij. Geen nationaal museum dus om simpelweg om de vraag te beantwoorden: ‘wie zijn wij nu als Nederlander’.

Ondanks het applaus hierop vanuit de zaal lijkt Byvanck niet onder de indruk. Integendeel, hij draait de situatie volledig om: historici moeten de politiek juist dankbaar zijn. Geprikkeld legt hij uit dat door de politiek, geschiedenis weer een hot item is.“De canon leverde de grootste historische discussie van Nederland op. Pluk als historici juist de vruchten van deze aandacht.”

Met deze opmerking gooit hij het debat over een totaal andere boeg. Niet langer staat de inhoud van het museum centraal. Nee, de historici vragen zich nu af wat hun rol eigenlijk is. Concreet gesteld aan de directeuren: wat willen jullie van ons? Een even zo kort antwoord van Byvanck volgt: “Beelden, we willen van jullie beelden die het verhaal van de Nederlandse geschiedenis vertellen.” Als voorbeeld noemt hij de foto van een vermoorde Pim Fortuyn, liggend in het Mediapark van Hilversum. Volgens de directeur behoeft dit gezicht geen verdere uitleg. 

 “We moeten dus plaatjes zoeken bij een verhaaltje? Ik had eerder verwacht dat geschiedkundigen de opdracht kregen om de verhalen te zoeken. Daarvoor zijn we opgeleid, wij denken toch vooral in tekst.” Hier spreekt een vertwijfelde Susan Hogervorst na afloop van het debat. Volgens haar kunnen juist de museumdirecteuren beter bepalen hoe een verhaal gepresenteerd moet worden. Zij weten toch het beste hoe je een onderwerp aan een breed publiek moet overbrengen.

Betekent het feit dat historici alleen plaatjes moeten zoeken, niet dat de directeuren zelf al de inhoud hebben bepaald? “Ja, ik denk het wel”, zegt Hogervorst. “Ik verwacht dan ook niet dat historici een al te grote rol krijgen.” Opmerkelijk? “Nee”, klinkt het na enige overpeinzing. Hogervorst concludeert dat de kleine rol van de geschiedwetenschap logisch is. Een wetenschappelijke benadering van de geschiedenis vind je volgens de promovenda nou eenmaal terug in universiteiten en niet in een museum. “Wetenschappers kijken voornamelijk naar schriftelijke bronnen, lange lappen met tekst. Ze houden zich meestal niet bezig met de vraag: hoe vertel je de geschiedenis aan een publiek? Hoewel ik wel vind dat dit meer zou moeten. Directeuren van musea kunnen zich waarschijnlijk beter verplaatsen in wat het publiek wil weten.”, aldus de onderzoekster.

Maar toch, in hun statement spraken de jonge academici dat geschiedkundigen bij uitstek deskundig zijn in het aantrekkelijk en toegankelijk maken van het verleden voor een breed publiek. Hoe blij moet je dan zijn met deze uitkomst van het debat? “We hebben bereikt wat we konden bereiken”, vertelt Hogervorst. “Het debat is geopend.” JL