‘Vóór elke mogelijke politieke eenwording van Europa schijnt mij de geestelijke eenheid van Europa een realiteit – en een opgave, die haar diepste grond vindt in het bewustzijn van de veelvormigheid van dit, ons Europa.’ Dit zijn woorden uit 1989 van de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer, in zijn boek over Das Erbe Europas (De erfenis van Europa). Hij zag Europa als een groeiende samenwerking tussen verschillende landen. Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog was er in Europa een breed besef ontstaan dat afstemming nodig was, voor de vrede op het continent en het welzijn van de mensen. Op het gebied van energie, voedsel e.d. gingen de landen steeds meer samenwerken, in een nieuwe Europese Gemeenschap.

Die Europese eenwording was een proces van onderop, waarbij de landen merkten welke wederzijdse voordelen het had om bij problemen samen op te trekken. Mijn enthousiasme voor dit project kreeg in 1992 echter een knauw, toen het Verdrag van Maastricht werd gesloten: het begin van de Europese Unie. Het historische proces van integratie moest worden versneld, zo meenden Europese leiders. Door introductie van een Europese markt (en een Europese munt) kon de politieke eenwording in Europa verder worden afgedwongen. Een gedachte die goed paste in het neoliberale denken van die tijd, maar die voor mij het Europese idee op de kop zette: een historisch proces van onderop werd plotseling een ideologisch project van bovenaf.

‘Het einde van de geschiedenis’, dat voorspelde in 1992 Francis Fukuyama, in The End of History and the Last Man. Na de val van de Berlijnse Muur meende deze Amerikaanse politicoloog dat het marktdenken voor altijd had gewonnen en politieke discussies voortaan niet meer nodig waren: het neoliberalisme had een einde gemaakt aan deze historische ontwikkeling. Het waren deze ideeën die volgens mij ook ten grondslag lagen aan de huidige Unie: niet zozeer politieke discussie, maar vooral de vrije markt zou het beste eenheid kunnen afdwingen. De Europese politiek lijkt een zaak geworden van ambtenaren in Brussel en niet van burgers in ons land. Ik denk dat dit ook een reden is waarom mensen zich niet betrokken voelen bij Europa.

Het Europees parlement is een vreemde plek, omdat hier nauwelijks debatten worden gevoerd. De Europese politiek lijkt in ons land niet te leven, omdat media hier weinig aandacht aan geven. Wat heeft het dan voor zin om op 6 juni te gaan stemmen? Toch ga ik het doen, omdat ik niet wil dat debat wordt gezien als iets dat voorbij is, zoals Fukuyama meende. Omdat ik alle stemmen in Europa wil horen, waar Gadamer voor pleitte. Want Europa, dat zijn wij allemaal: al die verschillende mensen. Ook ik hoor daarbij. Daarom ga ik stemmen.

Ronald van Raak column3-Levien, Pauline

Lees meer

Wel demonstreren, niet molesteren

Columnist Ronald van raak reflecteert op de recente protesten op de universiteiten tegen…